Beschadigd

Zijn spiegelbeeld is hem trouw. Iedere ochtend presenteert het hem dezelfde ogen, oren, neus en andere gezichtskenmerken. Hij is hierdoor vertrouwd geraakt met de ontbrekende haartjes in zijn linkerwenkbrauw, daar waar een litteken zit.
Hoe kom je eraan, is hem talloze keren gevraagd. Hij heeft vijf verschillende antwoorden. Een voor zijn vrienden en vier voor zijn diverse amoureuze verhoudingen. Het hangt een beetje van het type vrouw af met welk verhaal hij het beste voor de dag kan komen.

Als klein kind was hij aan het stoeien met zijn zusje en kwam daarbij ongelukkig ten val tegen de kruk van de deur. Er vloeide bloed, het gat moest gehecht, en zo werd zijn litteken geboren.
Een valse start in het leven, hoewel het hem uiteindelijk veel winst opleverde. Vrouwen bleken verrassend vaak juist voor deze onvolkomenheid te vallen, alsof zij een beroep deed op hun moederlijke gevoelens. Hij deed er zijn voordeel mee.
Ook zijn zusje was opvallend vriendelijk voor hem, alsof ze zich schuldig voelde aan het gebeuren.
Hij raakte echter in verwarring want gisteren aaide ze met haar vingertop over zijn wenkbrauw en vroeg: ‘Herinner jij je het nog, die gesp van papa’s broekriem?’

Nog een keer omkijken

Ik weet nog hoe onze handen elkaar
net niet raakten
het schutterige reiken
niet weten waar
ze te laten
de eeuw van aankijken
de warmte in mijn buik
het van geen wijken willen weten
het talmende opbreken
nog een keer omkijken naar
elkaar

Ik weet nog van de rust
die je uitstraalde
hoe ik baalde
toen je naar die ander keek
mezelf vergeleek
onzeker bleek
je mijn hand vasthield
niet losliet
nooit hebt losgelaten
mij misschien nog altijd ziet
lacht
op me wacht
nog een keer omkijkt

Jammie jammie

‘Moet die kleine Fonzie ook een slabbetje om, mijn lieve kleine honnepon? Nee, dat hoeft-ie niet, hè? Mijn lieve poppiedoppie. Mijn lekkere dropvetertje hoeft geen slabbetje, en ook geen vorkje of een mesje. Nee, mijn mannetje hoeft dat niet.’
Maxi dribbelt naar haar vaste plek aan de eettafel. Fonzie zit op zijn lichtblauwe kussentje recht tegenover haar, zijn snoetje komt net boven de tafel uit.
‘Nu gaat mammie Maxi “jammie jammie” doen. Moet jij mooi stil blijven zitten, lieve Fonzie, afgesproken?’ Ze reikt naar het knopje van de Cd-speler.

Fonzie laten opzetten had natuurlijk ook gekund, maar dat gewroet in zijn lijf stuitte haar tegen de borst.

Negen jaar geleden haalde Maxi Fonzie op bij de fokker. Wat een ellende was dat in het begin. Bijna ieder uur gingen bij puppy Fonzie de sluisdeuren open. Ze had er niet aan gedacht een mand te kopen en een hondenriem, ze kwam bij de fokker met enkel goede bedoelingen. Uiteindelijk was het nog best goed gekomen, Fonzie werd haar vaste disgenoot. Ze hield van zijn geslurp en gesmak, het klonk intens genietend.
Helaas hield zijn hart het dit jaar voor gezien. De staande klok had net de twaalfde slag geslagen toen Fonzie een keer kreunde en meteen vertrok. Ze overgoot zijn lijf met tranen en wiegde het in haar armen tot ze stijf werd. Ze stond op en nam een besluit. In de computerwinkel liet ze zich voorlichten en schafte een 3D printer aan. Thuis maakte ze een bouwtekening. Twee weken later had ze verrukt haar nieuwe Fonzie uitgeprint. Op internet vond ze, na lang zoeken, het juiste slobbergeluid.

Bij de kapper

Carla kauwt. Fanatiek. Ze kauwt en slikt en blaast bubbels die ze laat klappen. Ik kan mijn blik in de spiegel niet van haar afhouden. Ze slentert naar me toe.
‘U komt voor mij, toch?’
‘Dat klopt.’ God wat heb ik een spijt, straks zit mijn haar onder de Bazooka of hoe dat spul nu heet.
-Plop-
Bazooka was roze en rook zoet, Carla’s kauwgum is grijswit en ruikt naar munt.
‘Zelfde model maar weer?’
Ik knik.
Met een zwaai drapeert ze de kapmantel om me heen en sluit hem met een drukknoopje.
‘Niet te strak?’
Ik schud mijn hoofd. Naast me loeit een droogkap, warme lucht blaast eronderdoor, de geur van ammoniak meevoerend. Carla schuift de verrijdbare wasbak tegen mijn nek. Een stroompje water streelt mijn haar en klettert in de bak; ik ontspan.
Zonder het te zien weet ik dat er een bubbel verschijnt rond Carla’s getuite lippen, omdat ze kort daarvoor een smakkend geluid maakte.
De bubbel wordt groter en groter, mijn hoofd wordt erin opgenomen. Geluiden klinken gedempt en het is alsof ik in een mist terechtkom. De bubbel rekt uit als elastiek en slokt mij helemaal op; ik zweef door de ruimte, voel me opgesloten en tegelijkertijd vrij. Door het openstaande raam zweef ik naar buiten, omhoog. Het vlies van de bubbel wordt dunner en onder me zie ik vaag de kapsalon, het dorp en de weilanden. Ik ruik het pas gemaaide gras.
Boven het meer klapt de bubbel uit elkaar. Ik zit onder de kauwgum en val in het water; de kauwgum verhard, ik kan me nauwelijks bewegen. Ik stik. Ik verdrink.
Ik hoest en kokhals. Het water gutst uit mijn mond.
‘Sorry, mevrouw, sorry – ik was er even met mijn gedachten niet bij, ik slikte per ongeluk mijn kauwgum door.’
Ik kijk naar Carla’s lege mond.

© willy huisman

Leeg

Irma raakte het bureautje aan dat tegen de knalroze geverfde muur stond. Ze streek met haar wijs- en middelvinger over het blad, vanaf de hoek tot aan de plek waar het kleurboek lag.
Eefs kamer leegruimen zou helpen bij de verwerking, had de therapeut gezegd.
Tot vandaag was ze niet verder gekomen dan stofzuigen, het sterrengordijn openen en weer sluiten, afstoffen, de foto oppakken en weer neerzetten.
Het geheugen is zoveel milder dan foto’s, dacht ze, terwijl ze naar Eefs lachende gezicht keek, blonde krullen op het kale hoofd plaatste en de donkere kringen onder de ogen wegpoetste.
‘Mam? Mamma?’ Met een ruk draaide ze zich om naar het ledikant, maar het bed was leeg en onbeslapen.
Ze vouwde een verhuisdoos in elkaar, zuchtte diep en opende het bureaulaatje. Ze pakte er een handvol kleurpotloden uit en legde die op het blad naast het kleurboek. Voorzichtig streek ze over het kaft, opende het boek en bladerde er doorheen. Eef had een goed gevoel voor kleuren en werkte heel netjes. Irma had haar vaak geprezen. Was het vaak genoeg?
In het midden van het kleurboek kwam ze twee bladzijden tegen zonder tekeningen. Twee blanco pagina’s. Of, nee, toch niet blanco. In onregelmatige letters stond bovenaan de linker pagina geschreven: Voor mama. En onderaan de rechter: Van Eefje. Er tussenin zat de omtrek van een hart.
​Ze drukte de pagina’s tegen haar borst. Ik zou wel in het boek willen kruipen, dacht ze, veilig tussen de ingekleurde blaadjes, en daar blijven.

©willy huisman