Wachten tot moeder afgekoeld is

Het duurt heel lang voor ik gewend ben aan mensen die ik niet ken.
Mensen die ik niet ken steken soms zomaar een hand naar mij uit en als ik dan achteruitdeins zeggen ze bijvoorbeeld: ik wil je alleen maar een hand geven. En dan krijg ik het plaatje van een hand die losgeschroefd wordt van de arm, maar ze geven helemaal geen hand. Wat ze bedoelen is dat ze hun hand om mijn hand willen klemmen en die op en neer willen schudden. En zo doen mensen wel meer onvoorspelbare dingen en daar hou ik niet van.
Ze leggen ook weleens hun hoofd tegen het hoofd van iemand anders en maken dan smakkende geluiden in de lucht en dat noemen ze zoenen maar dat zijn geen echte zoenen want een zoen is het aanraken van de lippen met iets anders. Je kunt dus een hond zoenen, of een mens, of de muur, maar niet de lucht.
Gistermiddag om zes minuten over vier zag ik dat vader de buurvrouw zoende die drie huizen links verderop van ons woont. Dat was een echte want de lippen van vader raakten de lippen van buurvrouw.
Toen ik dat aan moeder vertelde gingen haar mondhoeken naar beneden, wat betekent dat ze boos is of verdrietig, en ze zei: die klootzak. En toen wist ik dat ze boos was en toen ging ik naar boven naar mijn kamer en ik telde de treden van de trap en dat zijn er dertien en als ik de stappen tel dan zijn dat er veertien want dan telt de stap op de overloop mee. Tellen maakt mij rustig. Als ik naar school ga tel ik de stoeptegels en dat zijn er negentienhonderdvijfennegentig.
Toen vader thuiskwam hoorde ik vader en moeder schreeuwen en toen kroop ik onder mijn bed. Daar was het donker en ik hield mijn handen tegen mijn oren maar ik hoorde toch dat de voordeur dichtsloeg. En nu wacht ik tot moeder afgekoeld is. Want dat riep vader toen ze de deur uitging: kom maar terug wanneer je afgekoeld bent.

Van God los

Ik zette mijn schaar in de regenboog.
Johannes klom naast mij op de wolk en trok de ladder op.
‘Wat doe je?’ vroeg hij.
‘Dat zie je toch,’ zei ik.
‘Ja, maar waarom?’
‘Ik erger me bont en blauw aan deze gekleurde navelstreng.’
Met opeengeklemde kaken knipte ik de taaie buitenboog doormidden. Rode vlokken dwarrelden omlaag. Ik keek ze na en duwde de twee regenboogdelen uit elkaar.
‘Jij bent echt van God los, hè.’ Er klonk ontzag door in de stem van Johannes, en ook iets angstigs.
Toen zakte ik door de wolk.

Beschadigd

Zijn spiegelbeeld is hem trouw. Iedere ochtend presenteert het hem dezelfde ogen, oren, neus en andere gezichtskenmerken. Hij is hierdoor vertrouwd geraakt met de ontbrekende haartjes in zijn linkerwenkbrauw, daar waar een litteken zit.
Hoe kom je eraan, is hem talloze keren gevraagd. Hij heeft vijf verschillende antwoorden. Een voor zijn vrienden en vier voor zijn diverse amoureuze verhoudingen. Het hangt een beetje van het type vrouw af met welk verhaal hij het beste voor de dag kan komen.

Als klein kind was hij aan het stoeien met zijn zusje en kwam daarbij ongelukkig ten val tegen de kruk van de deur. Er vloeide bloed, het gat moest gehecht, en zo werd zijn litteken geboren.
Een valse start in het leven, hoewel het hem uiteindelijk veel winst opleverde. Vrouwen bleken verrassend vaak juist voor deze onvolkomenheid te vallen, alsof zij een beroep deed op hun moederlijke gevoelens. Hij deed er zijn voordeel mee.
Ook zijn zusje was opvallend vriendelijk voor hem, alsof ze zich schuldig voelde aan het gebeuren.
Hij raakte echter in verwarring want gisteren aaide ze met haar vingertop over zijn wenkbrauw en vroeg: ‘Herinner jij je het nog, die gesp van papa’s broekriem?’

Onvoltooid verhaal

(autobiografisch)



Mis je de winkel?, wordt mij weleens gevraagd.
Meestal zeg ik: Nee. Ik mis namelijk niet de stress die het hebben van een winkel met zich meebrengt. Ik mis wel mijn klanten.

Een van die klanten kwam uit een dorp 15 kilometer verderop. Ze kwam bijna ieder jaar schoenen kopen voor haar zoon.
Ik herinner mij de eerste keer dat ze binnenkwam met haar zoon aan haar arm, een man van een jaar of dertig. Hij maaide spastisch met zijn armen en maakte bij iedere stap een draai-knik beweging vanuit de heup. Uit zijn keel kwamen onverstaanbare klanken die alleen zijn moeder begreep.
Ze wilde schoenen voor haar gehandicapte zoon. Goede schoenen, de beste die er waren. Ze koos een paar Van Lier schoenen uit. Die moest hij hebben.
Ik hurkte voor hem neer en trok zijn oude schoenen uit. Zijn voeten waren vergroeid. Iets dat vaak voorkomt bij lichamelijk en verstandelijk beperkten. Van Lier schoenen zijn stug en daardoor niet geschikt voor dit type voeten.
Ik bedacht hoe ik dit kenbaar moest maken aan zijn moeder die vastbesloten was om de duurste schoenen te kopen – want haar kind moest de allerbeste – en die duidelijk niet veel vertrouwen had in mij, de verkoper.
Ik trok haar zoon de Van Liers aan en strikte de veters. Hij kwijlde. Het vocht liep over mijn handen. Rustig strikte ik verder, me bewust van de blik van de vrouw. Ik vroeg of hij een stukje kon lopen. Zijn moeder stond op en trok hem overeind. Onopvallend veegde ik mijn handen af aan mijn broek.
Ik zag dat de schoenen hem niet lekker zaten en zei haar dat. Haar mond vertrok tot een streep. Alsof ik zoiets zou weten. Ik zei dat ik best die schoenen wilde verkopen omdat mij dat een leuk bedrag opleverde, maar dat ik ze liever niet aan haar verkocht omdat zij het beste wilde voor haar zoon en dat deze schoenen dat niet waren.
Met tegenzin stond ze mij toe een paar schoenen van een ander merk uit het magazijn te halen. Schoenen gemaakt van zacht leer en met een flexibele zool.
Hij liep een rondje door de winkel aan de hand van zijn moeder. Ik kon duidelijk zien dat hij blijer keek dan bij de andere schoenen. Zijn moeder zag het ook.
Ze vroeg hem of hij deze schoenen wilde. Uit de klanken die hij uitstootte maakte ze op dat hij ze wilde. Sterker nog, hij wilde ze niet meer uit. ‘Wee, wee,’ zei hij.
Ze was overtuigd en rekende af. Vanaf die dag waren ze vaste klant. Ik zag hoe zij steeds ouder werd en het steeds moeilijker kreeg om met haar zoon om te gaan. Maar ze liet hem niet los. Ze zorgde voor hem en zou dat doen tot haar dood, zoveel was duidelijk. Het erge was dat ze wist dat hij haar zou overleven. Die zorg tekende haar. Ze werd steeds slanker en kreeg ingevallen wangen.

Ik vraag mij bijna dagelijks af of ze nog leeft en hoe het met haar zoon gaat.
Dus, mis ik de winkel? Nee. Ik mis wel mijn klanten.



Bij de kapper

Carla kauwt. Fanatiek. Ze kauwt en slikt en blaast bubbels die ze laat klappen. Ik kan mijn blik in de spiegel niet van haar afhouden. Ze slentert naar me toe.
‘U komt voor mij, toch?’
‘Dat klopt.’ God wat heb ik een spijt, straks zit mijn haar onder de Bazooka of hoe dat spul nu heet.
-Plop-
Bazooka was roze en rook zoet, Carla’s kauwgum is grijswit en ruikt naar munt.
‘Zelfde model maar weer?’
Ik knik.
Met een zwaai drapeert ze de kapmantel om me heen en sluit hem met een drukknoopje.
‘Niet te strak?’
Ik schud mijn hoofd. Naast me loeit een droogkap, warme lucht blaast eronderdoor, de geur van ammoniak meevoerend. Carla schuift de verrijdbare wasbak tegen mijn nek. Een stroompje water streelt mijn haar en klettert in de bak; ik ontspan.
Zonder het te zien weet ik dat er een bubbel verschijnt rond Carla’s getuite lippen, omdat ze kort daarvoor een smakkend geluid maakte.
De bubbel wordt groter en groter, mijn hoofd wordt erin opgenomen. Geluiden klinken gedempt en het is alsof ik in een mist terechtkom. De bubbel rekt uit als elastiek en slokt mij helemaal op; ik zweef door de ruimte, voel me opgesloten en tegelijkertijd vrij. Door het openstaande raam zweef ik naar buiten, omhoog. Het vlies van de bubbel wordt dunner en onder me zie ik vaag de kapsalon, het dorp en de weilanden. Ik ruik het pas gemaaide gras.
Boven het meer klapt de bubbel uit elkaar. Ik zit onder de kauwgum en val in het water; de kauwgum verhard, ik kan me nauwelijks bewegen. Ik stik. Ik verdrink.
Ik hoest en kokhals. Het water gutst uit mijn mond.
‘Sorry, mevrouw, sorry – ik was er even met mijn gedachten niet bij, ik slikte per ongeluk mijn kauwgum door.’
Ik kijk naar Carla’s lege mond.

© willy huisman

Leeg

Irma raakte het bureautje aan dat tegen de knalroze geverfde muur stond. Ze streek met haar wijs- en middelvinger over het blad, vanaf de hoek tot aan de plek waar het kleurboek lag.
Eefs kamer leegruimen zou helpen bij de verwerking, had de therapeut gezegd.
Tot vandaag was ze niet verder gekomen dan stofzuigen, het sterrengordijn openen en weer sluiten, afstoffen, de foto oppakken en weer neerzetten.
Het geheugen is zoveel milder dan foto’s, dacht ze, terwijl ze naar Eefs lachende gezicht keek, blonde krullen op het kale hoofd plaatste en de donkere kringen onder de ogen wegpoetste.
‘Mam? Mamma?’ Met een ruk draaide ze zich om naar het ledikant, maar het bed was leeg en onbeslapen.
Ze vouwde een verhuisdoos in elkaar, zuchtte diep en opende het bureaulaatje. Ze pakte er een handvol kleurpotloden uit en legde die op het blad naast het kleurboek. Voorzichtig streek ze over het kaft, opende het boek en bladerde er doorheen. Eef had een goed gevoel voor kleuren en werkte heel netjes. Irma had haar vaak geprezen. Was het vaak genoeg?
In het midden van het kleurboek kwam ze twee bladzijden tegen zonder tekeningen. Twee blanco pagina’s. Of, nee, toch niet blanco. In onregelmatige letters stond bovenaan de linker pagina geschreven: Voor mama. En onderaan de rechter: Van Eefje. Er tussenin zat de omtrek van een hart.
​Ze drukte de pagina’s tegen haar borst. Ik zou wel in het boek willen kruipen, dacht ze, veilig tussen de ingekleurde blaadjes, en daar blijven.

©willy huisman