Onvoltooid verhaal

(autobiografisch)



‘Mis je de winkel?’ wordt mij weleens gevraagd.
Meestal zeg ik: ‘Nee.’ Ik mis namelijk niet de stress die het hebben van een winkel met zich meebrengt. Ik mis wel mijn klanten.

Een van die klanten kwam uit een dorp 15 kilometer verderop. Ze kwam bijna ieder jaar schoenen kopen voor haar zoon.
Ik herinner mij de eerste keer dat ze binnenkwam met haar zoon aan haar arm: een man van een jaar of dertig. Hij maaide spastisch met zijn armen en maakte bij iedere stap een draai-knik beweging vanuit de heup. Uit zijn keel kwamen onverstaanbare klanken die alleen zijn moeder begreep.
Ze wilde schoenen voor haar gehandicapte zoon. Goede schoenen, de beste die er waren. Ze koos een paar Van Lier schoenen uit. Die moest hij hebben.
Ik hurkte voor haar zoon neer en trok zijn oude schoenen uit. Zijn voeten waren vergroeid. Iets dat vaak voorkomt bij lichamelijk en verstandelijk beperkten. Van Lier schoenen zijn stug en daardoor niet geschikt voor dit type voeten.
 Ik bedacht hoe ik dit kenbaar moest maken aan zijn moeder die vastbesloten was om de duurste schoenen te kopen – want haar kind moest de allerbeste – en die duidelijk niet veel vertrouwen had in mij, de verkoper.
Ik trok haar zoon de Van Liers aan en strikte de veters. Hij kwijlde. Het liep over mijn handen. Ik strikte rustig verder, me bewust van de blik van de vrouw. Ik vroeg of hij een stukje kon lopen. Zijn moeder stond op en trok hem overeind. Ik veegde mijn handen onopvallend af aan mijn broek.
Ik zag dat de schoenen hem niet lekker zaten en zei haar dat. Haar mond vertrok tot een streep. Alsof ik zoiets zou weten. Ik zei dat ik best die schoenen wilde verkopen want dat mij dat een leuk bedrag opleverde. Maar dat ik ze liever niet aan haar verkocht omdat zij het beste wilde voor haar zoon en dat deze schoenen dat niet waren.
Met tegenzin stond ze mij toe een paar schoenen van een ander merk uit het magazijn te halen. Schoenen gemaakt van zacht leer en met een flexibele zool.
Hij liep een rondje door de winkel aan de hand van zijn moeder. Ik kon duidelijk zien dat hij blijer keek dan bij de andere schoenen. Zijn moeder zag het ook.
Ze vroeg hem of hij deze schoenen wilde. Uit de klanken die hij uitstootte maakte ze op dat hij ze wilde. Sterker nog, hij wilde ze niet meer uit. ‘Wee, wee,’ zei hij.
Ze was overtuigd en rekende af. Vanaf die dag waren ze vaste klant. Ik zag hoe zij steeds ouder werd en het steeds moeilijker kreeg om met haar zoon om te gaan. Maar ze liet hem niet los. Ze zorgde voor hem en zou dat doen tot haar dood, zoveel was duidelijk. Het erge was, dat ze wist dat hij haar zou overleven. Die zorg tekende haar. Ze werd steeds smaller en kreeg ingevallen wangen.

Ik vraag mij bijna dagelijks af of ze nog leeft en hoe het met haar zoon gaat.
Dus, mis ik de winkel? – nee, ik mis wel mijn klanten.



Bij de kapper

Carla kauwt. Fanatiek. Ze kauwt en slikt en blaast bubbels die ze laat klappen. Ik kan mijn blik niet van haar afhouden in de spiegel. Ze slentert naar me toe.

‘U komt voor mij, toch?’

‘Dat klopt.’ God wat heb ik een spijt, straks zit mijn haar onder de Bazooka of hoe dat spul nu heet.

-Plop-

Bazooka was roze en rook zoet, Carla’s kauwgum is grijswit en ruikt naar munt.

‘Zelfde model maar weer?’

Ik knik.

Met een zwaai drapeert ze de kapmantel om me heen en sluit hem met een drukknoopje.

‘Niet te strak?’

Ik schud mijn hoofd. Naast me loeit een droogkap, warme lucht blaast eronderdoor, de geur van ammoniak meevoerend. Carla schuift de verrijdbare wasbak tegen mijn nek aan. Een stroompje water streelt mijn haar en klettert in de bak; ik ontspan.

Zonder het te zien weet ik dat er een bubbel verschijnt rond Carla’s getuite lippen, omdat ze kort daarvoor een smakkend geluid maakte.

De bubbel wordt groter en groter, mijn hoofd wordt erin opgenomen. Geluiden klinken er gedempt en het is alsof ik in een mist terechtkom. De bubbel rekt uit als elastiek en slokt mij helemaal op; ik zweef door de ruimte, voel me opgesloten en tegelijkertijd vrij. Door het openstaande raam zweef ik naar buiten, omhoog. Het vlies van de bubbel wordt dunner en onder me zie ik vaag de kapsalon, het dorp en de weilanden. Ik ruik het pas gemaaide gras.

Boven een meer klapt de bubbel uit elkaar. Ik zit onder de kauwgum en val in het water; de kauwgum verhard, ik kan me nauwelijks bewegen. Ik stik. Ik verdrink.

Ik hoest en kokhals. Het water gutst uit mijn mond.

‘Sorry, mevrouw, sorry – ik was er even met mijn gedachten niet bij, ik slikte per ongeluk mijn kauwgum door.’

Ik kijk naar Carla’s lege mond en haal opgelucht adem.

© willy huisman

Leeg

Soms raakte Irma het bureautje aan dat tegen de – op verzoek – knalroze geverfde muur stond. Dan streek ze met haar wijs- en middelvinger over het blad, vanaf de hoek tot aan de plek waar het kleurboek lag.

Eefs kamer leegruimen zou helpen bij de verwerking, zei de therapeut.

Tot vandaag was ze niet verder gekomen dan stofzuigen, het sterrengordijn openen en weer sluiten, afstoffen, de foto oppakken en weer neerzetten.
Het geheugen is zoveel milder dan foto’s, dacht ze, terwijl ze naar Eefs lachende gezicht keek, blonde krullen op het kale hoofd plaatste en de donkere kringen onder de ogen wegpoetste.

‘Mam? Mamma?’ Met een ruk draaide ze zich om naar het ledikant, maar het bed was leeg en onbeslapen.

Ze vouwde een verhuisdoos in elkaar, zuchtte diep en opende de la van het bureautje. Ze pakte er een handvol kleurpotloden uit en legde die op het blad naast het kleurboek. Ze streek over het kaft, opende het boek en bladerde het door. Eef had een goed gevoel voor kleuren en werkte heel netjes. Ze had haar vaak geprezen. Was het vaak genoeg?

In het midden van het kleurboek kwam ze twee bladzijden tegen zonder tekeningen. Twee blanco pagina’s. Of, nee, toch niet blanco. In Eefs handschrift stond met grote letters bovenaan de linker pagina: Voor mama. En onderaan de rechter: Van Eefje. Er tussenin zat de omtrek van een hart.

Ze drukte de pagina’s tegen haar borst.
Ik zou wel in het boek willen kruipen, dacht ze, veilig tussen de ingekleurde blaadjes, en daar blijven.

 

©willy huisman