Wachten tot moeder afgekoeld is

Het duurt heel lang voor ik gewend ben aan mensen die ik niet ken.
Mensen die ik niet ken steken soms zomaar een hand naar mij uit en als ik dan achteruitdeins zeggen ze bijvoorbeeld: ik wil je alleen maar een hand geven. En dan krijg ik het plaatje van een hand die losgeschroefd wordt van de arm, maar ze geven helemaal geen hand. Wat ze bedoelen is dat ze hun hand om mijn hand willen klemmen en die op en neer willen schudden. En zo doen mensen wel meer onvoorspelbare dingen en daar hou ik niet van.
Ze leggen ook weleens hun hoofd tegen het hoofd van iemand anders en maken dan smakkende geluiden in de lucht en dat noemen ze zoenen maar dat zijn geen echte zoenen want een zoen is het aanraken van de lippen met iets anders. Je kunt dus een hond zoenen, of een mens, of de muur, maar niet de lucht.
Gistermiddag om zes minuten over vier zag ik dat vader de buurvrouw zoende die drie huizen links verderop van ons woont. Dat was een echte want de lippen van vader raakten de lippen van buurvrouw.
Toen ik dat aan moeder vertelde gingen haar mondhoeken naar beneden, wat betekent dat ze boos is of verdrietig, en ze zei: die klootzak. En toen wist ik dat ze boos was en toen ging ik naar boven naar mijn kamer en ik telde de treden van de trap en dat zijn er dertien en als ik de stappen tel dan zijn dat er veertien want dan telt de stap op de overloop mee. Tellen maakt mij rustig. Als ik naar school ga tel ik de stoeptegels en dat zijn er negentienhonderdvijfennegentig.
Toen vader thuiskwam hoorde ik vader en moeder schreeuwen en toen kroop ik onder mijn bed. Daar was het donker en ik hield mijn handen tegen mijn oren maar ik hoorde toch dat de voordeur dichtsloeg. En nu wacht ik tot moeder afgekoeld is. Want dat riep vader toen ze de deur uitging: kom maar terug wanneer je afgekoeld bent.